SCHEENBEENVLIESONTSTEKING

ONTSTAANSOORZAAK

Er zijn twee theorieën voor het ontstaan van een scheenbeenvliesontsteking of mediaal tibiale stress syndroom (MTSS). De eerste is de tractie theorie. Telkens wanneer de voet op de grond landt tijdens het sporten, moeten onze kuitspieren een schok opvangen. Er zijn bepaalde kuitspieren die rechtstreeks aan het scheenbeen zijn verbonden (soleus, flexor hallucis longus, tibialis posterior). Deze spieren gaan een rechtstreekse trekkracht creëren op het scheenbeen bij het landen en deze trekkracht zal een inflammatie en stress in het bot veroorzaken (Moen et al. 2009) (Moen, 2009). De tweede theorie stelt dat ten gevolge van de trekkrachten van de kuitspieren het scheenbeen buigt en zo overbelast geraakt (Beck 1998).

Er zijn verschillende risicofactoren die bijdrage aan het ontwikkelen van MTSS. Ze kunnen opgedeeld worden in interne en externe factoren.

Interne factoren zijn:
• hoge BMI
• grote bewegelijkheid in de heup
• overpronatie (overdreven de enkel naar binnen kantelen)
• verkorte of gespannen kuitspieren

Externe risicofactoren zijn:
• voorgeschiedenis van MTSS
• een te zwaar trainingsprogramma
• lopen met versleten schoeisel
• te intensief beginnen met trainen

EVOLUTIE VAN HET ZIEKTEBEELD

Tijdens de acute fase zal de patiënt vooral pijn ondervinden bij de start van zijn sportactiviteit. Deze pijn zal weggaan tijdens en na het sporten. Tijdens de subacute fase zal de pijn aanwezig zijn bij de start, maar ook tijdens en na het sporten. In de chronische fase is er hevige pijn op het begin en ook nog pijn tijdens en na het sporten. Het is ook mogelijk dat het scheenbeen pijnlijk is in rust of bij aanraking van het scheenbeen (Yates and White 2004).

SYMPTOMEN

Naast de typische klachten t.h.v. de schenen zijn er ook nog andere symptomen die op basis van onderzoek wel of niet aanwezig zijn bij alle patiënten met scheenbeenvliesontsteking.

Articulair

Een te grote bewegelijkheid in de voet kan aanwezig zijn. Vooral teveel actieve en/of passieve pronatie (inzakken van de voetboog) vormt een probleem.

Musculair

Gespannen/verkorte oppervlakkige en diepe kuitspieren kunnen aanwezig zijn. Daarnaast is een juiste werking van de bilspieren noodzakelijk om door spiercontrole de trekkrachten op het scheenbeen te verlagen. Als de bilspieren goed werken moeten de kuitspieren immers minder intensief werken om een goede stabiliteit te verkrijgen.

Neurologisch

Bij MTSS is er geen sprake van neurologische klachten. Is dit wel het geval dan kan er sprake zijn van een compartimentsyndroom of een andere inklemming van een zenuw en is extra onderzoek genoodzaakt.

Andere

Het belangrijkste symptoom is vage en diffuse pijn aan de binnen- / onderzijde van het scheenbeen.

ROL VAN DE KINESITHERAPIE EN UW KINESIST(E)

Kinesitherapie is van belang om door middel van een uitgebreid onderzoek alle risicofactoren na te gaan. Daarnaast zal de kinesitherapeut ervoor zorgen dat uw belasting wordt aangepast op uw belastbaarheid. Dit is essentieel om de pijn te verlagen en vervolgens de belasting op te bouwen opdat de klachten niet meer toenemen en herval te vermijden.

Kinesitherapeutisch onderzoek

De kinesitherapeut begint met een intakegesprek om de huidige klachten en voorgeschiedenis te evalueren. De kinesitherapeut probeert een duidelijk beeld te schetsen over de klachten, maar ook over hoe de klachten ontstaan zijn en welke factoren een invloed hebben op de klachten. Vervolgens vindt er een uitvoerig kinesitherapeutisch onderzoek plaats. Dit is belangrijk om een correcte diagnose te stellen.

Het klinisch onderzoek bestaat uit een inspectie van beide benen van de patiënt(e) in stand. De kinesitherapeut onderzoekt de beenlengte, stand van de voeten, anatomische afwijkingen en evalueert of het lichaam mooi in één lijn staat (Franklyn and Oakes 2015). Vervolgens gaat de kinesitherapeut voelen aan de binnenkant van het scheenbeen of dit drukgevoelig is (Franklyn and Oakes 2015; Galbraith and Lavallee 2009). Er wordt ook bekeken of er onderhuids oedeem (oedeem is vochtophoping op plaatsen in het lichaam waar normaal nooit of nauwelijks vocht zit) is. Dit kan immers wijzen op periostitis (ontsteking van het vlies rondom het been). De kinesitherapeut zal ook andere aandoeningen onderzoeken om die uit te sluiten (vb. zenuwinklemming, compartimentsyndroom of potentieel stressfractuur).

Daarnaast onderzoekt de kinesitherapeut de kracht van de spieren in het onderbeen. Een onderzoek van de zenuwen en de bloedvaten is ook belangrijk om andere aandoeningen uit te sluiten. Vervolgens wordt de beweeglijkheid van de gewrichten (enkel, knie en heup) in detail onderzocht evenals de lengte en spanning van de spieren (Franklyn and Oakes 2015). Wanneer er een verkorting van een spier aan de achterkant van het been is, zorgt dit voor een verhoogde druk aan de voorzijde van het scheenbeen tijdens het lopen (Franklyn and Oakes 2015).
Daarnaast is het ook belangrijk dat de heup- en de buikspieren worden geëvalueerd (Galbraith and Lavallee 2009). Een goede controle van de spieren zorgt voor een goede controle van het lichaam en de onderste ledenmaten tijdens het sporten. Dit zorgt ook voor een betere loopbeweging waardoor het scheenbeen en de spieren minder belast worden.
Als laatste zal de kinesitherapeut kijken hoe de patiënt beweegt bij sport specifieke en pijnlijke bewegingen (vb. wandelen of lopen).

Behandeling door uw kinesitherapeut(e)

De behandeling van scheenbeenvliesontsteking is conservatief (niet invasief en medicamenteus) met kinesitherapie. Het bestaat uit aanpassing van de activiteiten waarbij de repetitieve belastende sporten (bv lopen, wandelen of sporten met sprongvormen) worden gereduceerd. De behandeling voor MTSS is op maat van de individuele patiënt(e) en focust op de risicofactoren uit het klinisch onderzoek.

Pijn controle

Relatieve rust zal een belangrijk onderdeel zijn om de pijn te reduceren (Galbraith and Lavallee 2009). Dit betekent dat de pijnprovocerende bewegingen worden vermeden. De patiënt(e) blijft wel actief door bewegingen die geen klachten uitlokken (vb. fietsen of aquajogging).

Manuele kinesitherapie

Manuele therapie zal gebruikt worden om de normale werking van de spieren en gewrichten te bekomen. Wanneer de spieren dus overmatig gespannen zijn of de beweeglijkheid in de gewrichten (vb. de enkel of voetbeentjes) verstoord is zal een combinatie van technieken gehanteerd worden. Het doel is de spierspanning en impact ervan op het bot te verlagen.

De kinesitherapeut kan de verkorte spieren verlengen door gebruik te maken van passieve stretching. Vervolgens kan de kinesitherapeut overmatig gespannen spieren ontspannen door middel van massage of dry needling. Tot slot zijn er ook mobilisatie- en manipulatietechnieken om een normale beweeglijkheid van de gewrichten te verkrijgen. Hierdoor zal de belasting beter verdeeld worden over het gehele lichaam.

Oefentherapie

Oefentherapie vormt een belangrijk deel van de behandeling. De kinesitherapeut stelt een geïndividualiseerd oefenprogramma op om de afwijkende elementen uit het klinisch onderzoek en de risicofactoren te corrigeren.

Is er sprake van verkorte kuitspieren dan zijn specifieke stretchoefeningen aangewezen. Wanneer de spieruithouding of -controle onvoldoende is, worden specifieke oefeningen voor de uithouding en controle van de kuitspieren opgesteld (Galbraith and Lavallee 2009).

Het belangrijkste onderdeel is het verbeteren van het beweegpatroon van de patiënt(e) tijdens activiteiten. Het verminderen van de trekkrachten op het scheenbeen is het doel.

De trainingsbelasting- of opbouw aanpassen is ook van belang want het is vaak de oorzaak van het ontwikkelen van MTSS. Aangezien een te snelle progressie aan intensiteit, volume en frequentie in het oefenprogramma een risicofactor is, kan de kinesitherapeut de patiënt(e) en trainers mee begeleiden in zijn trainingsopbouw.

Samengevat voorziet de kinesitherapeut naast de sportbegeleiding dus behandelingen op maat en een individueel oefenprogramma dat wordt bijgestuurd opdat de patiënt(e) dit zelfstandig kan uitvoeren.

REVALIDATIE TRAJECT

Binnen elke revalidatie onderscheiden we steeds de doelstellingen op korte en lange termijn. Afhankelijk van het type pathologie zal dit verschillen.

Korte termijn

De eerste doelstelling is pijnreductie in rust en bij activiteiten. Daarnaast worden de sport-) activiteiten aangepast en is het doel dat de patiënt(e) een beter inzicht verkrijgt in de belastbaarheid en belangrijke risicofactoren.

Lange termijn

Het doel is dat de patiënt(e) terug de gewenste activiteiten kan uitvoeren zonder pijn. Verder is het doel de patiënt(e) te versterken opdat er geen herval optreedt.

MULTIDISCIPLINAIRE AANPAK

MTSS is voornamelijk het gevolg van een verkeerde keuze in de belastingsopbouw van activiteiten of sport. Overleg met de training of het werk (vb. Militairen die veel marcheren) om de belasting te verlagen is uitermate belangrijk. Indien er sprake is van overgewicht (risicofactor) kan het zinvol zijn dit ook aan te pakken. Verder is het op dit moment nog niet voldoende aangetoond dat andere behandelvormen zoals shockwave, steunzolen of een bepaald type loopschoenen de klacht kunnen verminderen (Menéndez et al. 2020).

Tot slot is medische beeldvorming niet noodzakelijk bij scheenbeenvliesontsteking, tenzij de kinesitherapeutische behandeling niet werkt (Galbraith and Lavallee 2009).

REFERENTIES

Beck, B. R. 1998. “Tibial Stress Injuries. An Aetiological Review for the Purposes of Guiding Management.” Sports medicine (Auckland, N.Z.) 26(4): 265–79.

Bliekendaal, Sander et al. 2018. “Incidence and Risk Factors of Medial Tibial Stress Syndrome: A Prospective Study in Physical Education Teacher Education Students.” BMJ open sport & exercise medicine 4(1): e000421.

Franklyn, Melanie, and Barry Oakes. 2015. “Aetiology and Mechanisms of Injury in Medial Tibial Stress Syndrome: Current and Future Developments.” World journal of orthopedics 6(8): 577–89.

Galbraith, R. Michael, and Mark E. Lavallee. 2009. “Medial Tibial Stress Syndrome: Conservative Treatment Options.” Current reviews in musculoskeletal medicine 2(3): 127–33.

Menéndez, Claudia et al. 2020. “Medial Tibial Stress Syndrome in Novice and Recreational Runners: A Systematic Review.” International journal of environmental research and public health 17(20).

Moen, Maarten H. et al. 2009. “Medial Tibial Stress Syndrome: A Critical Review.” Sports medicine (Auckland, N.Z.) 39(7): 523–46.

Yates, Ben, and Shaun White. 2004. “The Incidence and Risk Factors in the Development of Medial Tibial Stress Syndrome among Naval Recruits.” The American journal of sports medicine 32(3): 772–80.